Brieffragmenten van Gretl aan Jakób

In april verscheen Irma Jouberts bestseller Het meisje uit de trein met een nieuw omslag. Speciaal daarvoor publiceren we hier een aantal brieffragmenten die Gretl aan Jakób schreef tijdens haar reis van Polen naar Zuid-Afrika.

Opvanghuis Rode Kruis, Kiel, 18 juli 1948

Lieber Jakób!

Ik schrijf je dit briefje, omdat je hebt gezegd dat ik je moet vertellen hoe het met me gaat. Jammer genoeg is het geen goed nieuws, luister maar.

Vandaag zijn de mensen uit Südafrika komen kijken wie van ons goed genoeg was om met ze mee te gaan. Ik had me zelf heel netjes gemaakt, alleen zat mijn haar nog een beetje wild. Toen heeft Elke, dat is al een groot meisje en ze slaapt in het bed naast het mijne, me geholpen om een strik in mijn haar te doen.

We gingen niet naar school. Toen kwamen er twee mensen uit Südafrika. De een was Onkel Schalk Botha, hij is de baas van de mensen die geld hebben gegeven om de kinderen op te halen. Je kon wel zien, Jakób, dat hij heel veel geld had, hij had deftige, zwarte kleren aan en hij was nogal dik en had een ronde bril op.

De ander was dokter Vera Bührmann, die moest kijken of de kinderen wel gezond waren. Zij zei helemaal niks.

Onkel Schalk praatte helemaal geen goed Duits, maar ik begreep wel dat hij ons mee wil nemen naar een mooi land waar een lieve papa en mama op ons wachten. We krijgen een heel goed leven, al zei hij elke keer seer goet, seer goet in plaats van sehr gut.

Hij zei ook dat we moesten begrijpen dat het voor altijd was, we gaan nooit meer naar Duitsland terug. Maar dat wist ik al, want dat had jij me verteld.

Toen moesten we terug naar onze kamer en nou zit Elke al de hele tijd te huilen. Weet je waarom, Jakób?

Ze willen alleen maar kindertjes die jonger zijn dan acht.

Eerst wilde ik ook een beetje huilen, want ik ben heel, heel erg verdrietig omdat ik al tien ben. Maar huilen helpt helemaal niks, je krijgt er alleen pijn in je hoofd van, dus nu schrijf ik je maar een briefje. Mijn maag doet ook erg pijn, Jakób, net of er een knoop in zit, dat wou ik je ook even vertellen. En mijn keel doet pijn, omdat ik eigenlijk moet huilen, snap je wel?

Ik ga de brief niet nu al posten, hoor, want ik heb maar één envelop en één postzegel.

20 juli, ’s morgens vroeg

Lieber Jakób!

Denk je dat het zou lukken als ik gewoon naar die doktersmevrouw toega en zeg dat ze moet kijken of ik wel gezond ben? Want ik ben toch Arisch en een volle wees en alles, en je kan niet aan me zien dat ik tien ben, ik lijk nog geen acht. Ja, dat ga ik doen. Als jij nou de Moeder Gods vraagt om me te helpen, Jakób, dan vraag ik het aan de Heer Jezus. Dank je wel, Jakób.

’s Avonds

Vanmiddag heb ik met de doktersmevrouw gepraat, Jakób, en ik heb mijn best gedaan, maar het ging niet zo heel goed, geloof ik.

Eerst heb ik de brief waarin staat wat ze willen weer helemaal doorgelezen, ik ken hem nu uit mijn hoofd. Ik heb geprobeerd de strik in mijn haar te doen, maar dat was te moeilijk. Toen ging ik naar het kantoor waar de dokter zat.

Binnen was een kind aan het huilen. Zijn moeder was hem komen brengen, hij wordt ook aangenomen, maar hij wilde haar niet laten gaan. Toen ze het kantoor uitkwam moest ze ook vreselijk huilen.

Toen dacht ik aan wat jij zei, Jakób: ‘Ik heb de Moeder Gods beloofd dat ik zou doen wat voor jou het beste is, wat volgens mij voor jou het beste is.’

Ik wilde dat eigenlijk tegen die moeder zeggen, want het is mooi, maar toen was ze al weg.

Toen ging ik naar binnen en ik zei: ‘Ik moet onderzocht worden om naar Südafrika te gaan.’

De dokter vroeg hoe ik heette en ik zei: ‘Gretl Schmidt.’ En ik stond heel mooi rechtop, Jakób. Heel netjes.

Ze kon mijn papieren niet vinden, want die lagen natuurlijk niet op tafel omdat ik te oud ben, snap je wel, Jakób? Toen vroeg ze: ‘Hoe oud ben je?’

Toen ging ik nóg rechter staan en ik keek haar recht aan en ik zei het precies zoals ik het geoefend had: ‘Ik ben tien, maar ik zie eruit als acht. Ik ben een protestants weeskind, ik heb een doopbriefje waarop staat dat ik op 18 december 1937 in de Lutherse kerk door Pfarrer Helmut Friedrich ben gedoopt als Gretl Christina Schmidt. Mijn vader heette Peter Schmidt, hij is een gevallen SS-soldaat, hier heb ik een foto van hem in zijn uniform en ik heb ook een brief van de regering aan mijn moeder waarin staat dat hij een held was.’

De doktersmevrouw keek me aan, maar ze zei niks.

Toen ging ik maar verder: ‘Ik ben een volle wees, want mijn moeder is gestorven bij een ontploffing, en mijn oma ook. En mijn zusje is ook dood. En toen werd ik een Findelkind. En ik ben ook Arisch.’

Dat was het belangrijkste, Jakób, dat ik Arisch ben. En nou vergat ik dat nog bijna!

Toen heeft de dokter me onderzocht. Ik was bang dat ze misschien zou denken dat mijn hart niet goed was, want dat klopte zo snel! Toen moest ik mijn mond heel wijd opendoen en AAAA zeggen en toen mocht ik mijn jurk weer aantrekken.

Maar toen, Jakób, zei ze dat ik te oud was en dat ze zich moest houden aan de besluiten van het comité van het Dietse Kinderfonds. Want die mensen geven het geld, snap je. En de nieuwe papa’s en mama’s willen liever jongere kinderen. Maar ze zei wel als ze niet genoeg kindertjes van onder de acht kunnen vinden, dat ze dan misschien oudere kinderen gaan nemen. Misschien.

Lieber Jakób, eerst wilde ik het je niet vertellen, want dan word je net zo verdrietig als ik. Maar nou heb ik het toch gedaan. Ik wil je niet verdrietig maken, hoor. Ik wou het alleen maar vertellen.

16 augustus

Lieber Jakób!

Ik mag mee naar Südafrika! We gaan zo dadelijk met een bus naar Lübeck-Brandenbaum. Ik heb weinig tijd, ik moet inpakken, maar ik zal je later alles vertellen. Ik ben zo blij, Jakób! Ik kan het niet geloven, ik ben zó blij!

Lübeck-Brandenbaum, 18 augustus

We zijn nu in het gebouw van het Rode Kruis en vandaag hebben we kleren gekregen, eerst schoenen en sokken en toen moesten we jurken passen. Ik heb twee onderbroekjes gekregen, een jurk met gele bloemetjes (die is een beetje te groot) en een donkerblauwe rok met een rode bloes erbij (de bloes is heel groot, die komt bijna onder de rok uit als ik hem instop). Ik heb geen nieuwe trui gekregen, want ik had er al eentje, die mevrouw Sobieski voor me heeft gebreid. En mijn rode jasje. Nu weet je precies hoe mijn nieuwe kleren eruitzien, hè Jakób?

20 augustus

Vandaag zijn we met een speciale bus naar Hannover gegaan. Eerst kwam er nog een minister, die hield een toespraak, hij zei dat we nu naar een vreemd land gingen. Maar we moesten er altijd aan denken dat de Duitsers een trots volk zijn, we zullen altijd Duits bloed hebben en we moesten ons gedragen als echte Duitsers. Hij praatte heel erg lang.

In de bus gaven de mevrouwen ons boterhammen met stroop, dat werd een heel geknoei en de jongens gedroegen zich helemaal niet als echte Duitsers, ze smeerden elkaar helemaal vol stroop. Ik ben echt blij dat ik geen jongen ben, Jakób!

Er ging ook een meneer even met mij praten, hij zei dat ik in Hannover met de journalisten moest praten, dat zijn mensen die in de krant schrijven.

We slapen maar één nachtje in Hannover, bij de Maschsee, en dan gaan we met een Engelse trein naar Holland en met een veerboot over zee naar Engeland. Nu gaan we eten en dan komen de journalisten. De ene oppasmevrouw heeft gezegd dat ze een strik in mijn haar zal doen.

’s Avonds

Ik moet naar bed, dus ik schrijf snel want ik wil het je gauw vertellen. De journalisten kwamen en eentje vroeg wat we in Zuid-Afrika gingen doen. Toen zei ik: ‘Ik krijg een huis en mensen die me graag willen hebben’ en toen zei die journalist dat dat een mooi antwoord was. Sommige jongens zeiden echt heel rare dingen.

Ik zei ook dat ik een nieuwe taal moest leren, Afrikaans, en toen vroeg hij hoe dat klonk en toen zei ik: ‘Goeiemôre, goeienag, slaap lekker.’ Dat betekent: Guten Morgen, gute Nacht, schlaf gut. Bijna hetzelfde, zie je wel?

Toen nam die man nog een paar foto’s van mij met een grote camera en ik lachte heel vrolijk zodat het een mooie foto zou worden.

Morgen moet ik de brief posten, want er zitten Duitse zegels op de envelop en morgen ga ik voor altijd weg uit Duitsland. Ik ben nu erg verdrietig, Jakób, want dan kan ik nooit meer met je praten.

 Midden in de nacht

Ik kan niet slapen, Jakób. Ik wil zo graag met je praten.

Er is een groot stuk uit de maan. Kun jij dat nu ook zien, Jakób Kowalski?

Van Gretl

 

Deze fragmenten komen uit Het meisje uit de trein

 

 

Auteur Irma Joubert | Pagina’s 468 | Imprint Mozaiek | Uitvoering Paperback | Uitgeverij VBK Media | ISBN 9789023993629 |Verschijningsdatum 3 jun. 2015

 

Geef een reactie